Tweede leven: Over Paul de Wispelaere
Het was Ilse die mijn tweede gedichtenbundel, Onder de pijnbomen, die ik grotendeels in Spaans Extremadura pende, op mijn vraag in oktober 2005 aan haar man gaf. Van Ilse kreeg ik dat academiejaar aan UGent Spaanse letterkunde uit de 19de en 20ste eeuw. De woorden van de Wispelaere waren ontroerend.

Een winter of zes geleden werd de Wispelaere in Assebroek, op achtentachtigjarige leeftijd, begraven. Op een van die druilerige, duifgrijze, futloze zaterdagvoormiddagen in een typische Vlaamse december. In wat zijn laatste kranteninterview is geworden, ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de publicatie van Het verkoolde alfabet, gaf hij aan dat hij na overlijden het liefst ter aarde gesteld wou worden, dat hij dus letterlijk terug naar de grond, zijn aarde, wou. De Wispelaere wou dus niet in die baksteenrode, door droogte gebarsten Centraal- en Zuid-Spaanse oerlagen vergaan, hoewel hij er meer dan dertig jaren lang, vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, elke zomer, hoopvol smachtend, naar die hete, harde kluit, was teruggekeerd. Hij wilde opnieuw humus worden, het tastbare begin. Van die zompige, bijna zwarte teelaarde van het Meetjesland, voordien eeuwenlang geroemd als ideale paardenweide. Klamme regen mocht daarbij gestaag van de blauwgrijze en kraai zwarte paraplu’s op zijn kist van dennenhout glijden. Hij wist dat as, puin en verval gruwelijk noodzakelijk zijn voor nieuw, trillend leven. Iets uit iets, niets uit niets. In zijn romans en essays kon hij daarom eindeloos vaak verrukt en huiverend naar de maand oktober in zijn vaderland staan kijken, in de deuropening van zijn sober opgekalefaterde, kleinere boerderij. Oktober, de maand van zijn conceptie en de maand van mijn geboorte, meer dan veertig jaar later. Oktober de wijnmaand, met haar eierdooier geel licht, waarin “de grafstenen nog warm zijn, maar er ook al dorre bladeren op liggen”, die al snel zouden opgenomen worden in dat eeuwig stille, aan het oog onttrokken proces van biodegradatie. In mei 1990 vond hij zijn boomgaard op zijn mooist. “Wat er al is”, schreef hij, “staat in volmaakt evenwicht met wat er nog wordt verwacht. Weldra komen de eerste uitgroeiende vruchten en rozen”. Het is hier momenteel niet anders.
Toen ik zelf nog lagere school liep, keerde de Wispelaere, als prille veertiger, definitief terug naar mijn geboortegrond, waar hij uiteindelijk, rond zijn zestigste, Het verkoolde alfabet zou schrijven. Hij was op de loop, zeg op de vlucht, voor de woekerende lelijkheid, het lawaai, de stank en deoverbevolking van de voorstad die het, ooit Breugeliaanse, platteland in een rotvaart aan het worden was. Hij wou er tussen de eeuwenoude dreven van beuken, eiken en populieren opnieuw aansluiting te vinden met zichzelf. Mijn ouders daarentegen, toen nog dertigers, liepen in precies diezelfde jaren snel weg uit dat laatste restje natuurlijk landschap. Naar een Spic en Span nette, gerieflijke bungalow in een gloednieuwe sociale woonwijk, de Rerum Novarum wijk, die, hopeloos ambitieus, genoemd was naar de gelijknamige pauselijke encycliek van paus Leo XII. De wijk was ingeplant op de overgebleven, door batterijen en motorolie vervuilde gemeentelijke gronden tussen de overvolle begraafplaats en het pas aangelegde voetbalplein, met een typisch onwelriekende kantine uit beschilderde betonplaten. Alle arbeidershuizen van de wijk waren rijwoningen, volledig opgetrokken uit identieke, citroen-gele bakstenen, benzineblauwe metalen voordeuren en kantelpoorten. Er was een aparte badkamer, toilet, wasplaats en centrale verwarming op stookolie, de aangelegde tuin van honderd vierkante meter was voldoende klein om nooit tot last te worden.
In onder andere zijn Brieven uit Nergenshuizen, leest men hoe, dertig jaar eerder, de omgekeerde trek van zijn ouders, namelijk vanop het platte Houtland naar de stadsrand van Brugge, de toen tienjarige de Wispelaere ontheemd en bedrogen had achtergelaten. De verhuis naar, in hun specifieke geval, een protserige bourgeois villa zonder tuin, was de levensdroom geweest van zijn moeder, de kers op de taart van haar burgerlijke doen en laten. Ze had, begreep hij later, nooit gehouden van fruitbomen. Zoals hij, heb ik een levenslange bloedhekel aan dat op elkaar gepakte, ruimte-arme, droomloze routineuze leven in een bijna-stadsomgeving, die letterlijk van het landschap was afgesneden. Bij mijn weten huurde of kocht geen enkel gezin in de arbeiderswijk een woning omdat de architectuur ervan, of de ruimtelijke inplanting ervan, haar enigszins beroerde. Onze buren en mijn ouders verkozen er te wonen omdat de huizen nagelnieuw en toch betaalbaar waren, omdat prijs-kwaliteit gesproken ze lucratief bleken te zijn en overal dichtbij gelegen waren. Gedurende de eerste vijfentwintig jaar dat ze er woonden, zouden er geen herstellingswerken moeten uitgevoerd worden aan de bungalow. In de tuinen zouden de kinderen zich onder het spelen niet vuil maken. De openhartige, autobiografische cahier-romans van de schrijver, met onder andere het gegeven dat zijnleven pas was ontploft na zijn dertigste, hield me een toekomst voor. Er was nog altijd een tweede leven mogelijk.
